zondag 18 september 2011

Waarderen van informeel leren

In het blad Onderwijsinnovatie van september las ik het artikel Professionaliseren op de werkplek van Rob Martens en Maarten de Laat (artikel komt nog  digitaal beschikbaar via de OU). De auteurs pleiten voor een nieuwe manier van professionalisering op de werkplek: informeel-formeel leren. Zelf ben ik zeer geïnteresseerd in de relatie informeel leren en social media. In het artikel worden suggesties gedaan voor tools om het informeel leren (meer) te waarderen.


donderdag 8 september 2011

De like-button van kennis


Vanochtend las ik het artikel De like-button van kennis op scienceguide.nl . In het artikel wordt verwezen naar de presentatie van Prof. José van Dijck (UvA) tijdens de jaaropening. Ze geeft in haar verhaal aan dat de principes van sociale media op allerlei plekken in de samenleving invloed hebben. Dit betekent dat we hier ook in het onderwijs niet omheen kunnen.

Ze zegt o.a.:
Sinds de opmars van sociale media in het publieke domein worden we dagelijks gestimuleerd om onze gevoelens over van alles en nog wat aan te klikken. Of het nu gaat om boeken, muziek, video's, politici, of popsterren: de like-button is razendsnel de barometer van onze intuïtieve oordelen geworden
Ze noemt dit de 'algoritmisering van het gevoel'. Via sociale media worden onze gevoelens meetbaar en deze gevoelens worden vervolgens weer gebruikt om 'onze gevoelige snaar te raken'. Zoals bv. bij bol.com de zin 'liefhebbers van dit artikel bestelden ook:'.


De like-button komt steeds vaker ook voor buiten de sociale-netwerk-sites. Op internet word je via diverse sites gewezen op de 'meest gelezen artikelen'. In de informatietheorie heet dit het rich-get-richer effect. Wat al veel gelezen is op internet, wordt nog meer bekeken.

Hetzelfde fenomeen zien we ook terug in het (wetenschappelijk) onderwijs. 

Om te constateren hoezeer de like button in het hoger onderwijs is doorgedrongen, hoeven we maar te kijken naar de werking van GoogleScholar. Steeds meer studenten zoeken literatuur via deze zoekmachine en kijken dan uitsluitend naar de eerste tien resultaten van de Google-hitlijst. GoogleScholar selecteert zijn wetenschappelijke bronnen echter niet op basis van kwaliteit of relevantie, maar op basis van populariteit. De bron die het meest aangeklikt wordt, eindigt hoog in de ranking. De kans is dus reëel dat wat studenten "leuk" of "gemakkelijk" vinden, hoog scoort omdat het vaak aangeklikt wordt.
Op eenzelfde manier zien we de 'algoritmisering van het gevoel' terugkomen in de studenttevredenheid.  Prof. José van Dijck vreest de dag waarop we na afloop van een statistiekcollege de zaal vragen om al dan niet de like button in te drukken.

Ik ben zelf van mening dat we er in het onderwijs voor moeten waken dat we deze kant op gaan. Ik zie echter wel mogelijkheden om de like button een plek te geven in het onderwijs. Maar dan graag minder aan de marketingkant, maar meer didactisch. In het Virtual Action Learning concept leren studenten van elkaar door elkaar feedback te geven op leerproducten. De ervaring uit de praktijk leert dat studenten het waarderen als ze van elkaar zien in hoeverre een mede-student de feedback, die hij heeft gegeven waardeert. Deze subjectieve (en vaak intuïtieve) beoordeling heeft vooral een sociale functie. Studenten leren hierdoor elkaar en de groep beter kennen en dit komt het groepsproces en daarmee het individuele leerproces ten goede. Voor deze laatste conclusie heb ik helaas geen wetenschappelijke bewijzen, maar die komen mogelijk in de toekomst. Wordt vervolgd.

Waarom docenten sociale media nauwelijks in het onderwijs gebruiken

Vandaag las ik het artikel van Wilfred Rubens over de vraag waarom docenten sociale media nauwelijks in het onderwijs gebruiken. Hij refereert in zijn blog naar een artikel van Paul Bloemen (Social media in het onderwijs: verbinding maken met de leerling én de docent) , die reflecteert op de vraag waarom docenten nog relatief weinig sociale media in het onderwijs gebruiken. De argumenten die door Bloemen en Rubens genoemd worden, herken ik in de praktijk. Ik vraag me echter af of  ‘de praktijk’ ze ook herkent.
  • Gebruik van Sociale Media in het onderwijs moet concurreren met (andere) prioriteiten
Dit argument geldt niet alleen voor Sociale Media maar ook voor de inzet van ICT in het onderwijs. Te vaak verlaten enthousiaste docenten een training met (volgens mij) het voornemen om ermee aan de slag te gaan. Teruggekomen op de werkplek worden ze echter weer gevangen door de dagelijkse beslommeringen in het onderwijs. Morgen staat er tenslotte weer een groep studenten op de stoep. Daarnaast wordt binnen instellingen nog te vaak eerst een onderwijsvernieuwing doorgevoerd, waarna na de implementatie bekeken wordt op welke wijze ICT hierbij een rol zou kunnen spelen.
  • ‘Sociale Media’ is een complex koepelbegrip, het doel ervan is vaak niet concreet en een uitwerking van een visie op onderwijs in relatie tot sociale media ontbreekt veelal (bij een ELO zou het duidelijk zijn om welk systeem het gaat, en wat er in hoofdlijnen mee kan)
Het ongrijpbare van Sociale Media biedt ruimte voor diegenen die zelf ervaring op hebben gedaan met de mogelijkheden van Sociale Media voor leren. Bij diegenen die echter eerst nog zelf kennis moeten maken met Sociale Media en de voordelen nog moeten ervaren, zorgt deze ‘vrijheid’ eerder voor blokkade en dus andere keuzes. Alleen de echte waaghalzen durven de stap naar Sociale Media en de inzet ervan in het onderwijs te zetten.
  • Verbinding met de dagelijkse praktijk van docenten wordt onvoldoende gemaakt
De grootste behoefte bij docenten (zowel in primair, voortgezet en hoger onderwijs) ligt bij het concreet maken van de mogelijkheden van Sociale Media. De professionalisering moet daarop gericht worden (‘morgen aan de slag’).
  • De wijze waarop sociale media leren kunnen ondersteunen, past vaak moeizaam bij de dagelijkse onderwijspraktijk
Ook bij dit argument kan de parallel met ICT en onderwijs gemaakt worden. Succesvolle inzet van ICT in het onderwijs vraagt om een transformatie van het onderwijs. Dit geldt ook voor Sociale Media. Dit is een grote bottleneck voor de verder inzet van ICT en Sociale Media in het onderwijs (zie ook eerder mijn opmerking over onderwijsnieuwing)
  • Veel docenten hebben nog steeds een onvoldoende beeld van de toegevoegde waarde van technologie voor onderwijs en leren
Een zeer terechte aanvulling van Wilfred op de argumenten van Bloemen. Ik ben ook van mening dat dit beeld onvoldoende is. Dit blijft een probleem waar we als ICTO-afdelingen al jaren mee worstelen. Het is te kort door de bocht om te veronderstellen dat Sociale Media niet tegen dit probleem aan zullen lopen. Het lijkt alsof de laagdrempeligheid van de technologie hier helpt.
  • De adoptie van elektronische leeromgevingen belemmert de acceptatie van sociale media
Dit argument vind ik een interessante, maar ook zeer herkenbare toevoeging van Wilfred. Ik onderken dat we als onderwijsinstellingen wat dat betreft eigenlijk altijd achter de feiten aanlopen. De kosten om een ELO te implementeren, te beheren, te migreren etc. zijn relatief hoog en worden kritisch gevolgd. In de huidige tijden van bezuinigingen zal het heel moeilijk zijn om nieuwe technologie zoals Sociale Media in het onderwijs te implementeren.

Ondanks bovenstaande argumenten waarom docenten nauwelijks Sociale Media in het onderwijs gebruiken, zie ik de toekomst positief tegemoet. Zoals Bloemen het formuleert ‘zorg voor verbindingen’. En daar kunnen we de Sociale Media dan weer mooi voor inzetten.

Deze blog is eerder verschenen op de HANictoblog

woensdag 17 augustus 2011

Online leren leidt to meer uitval



Vandaag las ik de bijdrage van Wilfred Rubens over Online leren en uitval. De resultaten van het onderzoek waar hij naar verwijst zijn voor veel mensen een open deur. Zeker als je al wat langer werkt met Onderwijs & ICT en Digitale Didactiek, ben je bekend met de nadelen van Online leren. Desondanks heb ik eind vorig jaar een voorbeeld gezien van de East Carolina University (ECU), die met hun keuze voor 100% online, grote stappen vooruit hebben gemaakt.

In september en oktober heb ik een aantal keren geblogd over de ervaringen van de HAN met ECU. De ECU kiest voor 100% online als uitgangspunt. Ze passen wel een blend toe door verschillende vormen van online communicatie aan te bieden. Hun 100% concept is erg populair en trekt veel studenten met name ook uit de directe regio. Wel geven de mensen bij ECU aan dat de onlinebenadering voor studenten geen vanzelfsprekende manier van leren is. 'We moeten onze studenten resocializeren. Het boek als leermiddel zit nog steeds teveel in de mindset van de studenten'.

De grootste verandering vindt echter plaats bij de docenten. Men ziet dat de docenten die ervaring hebben opgedaan met Online Education, hun manier van lesgeven in de klas (face-to-face) veranderen. Hierdoor ontstaat een natuurlijke beweging naar meer blended vormen. De ervaring met Online Education verandert de manier waarop onderwijs gegeven wordt.

Vraag blijft: hoe krijgen we de docent zover? ECU kiest er onder andere voor om niet alle docenten online les te laten geven. Maar ECU geeft ook aan dat online education niet werkt bij reguliere studenten (van 18-24). Daarom worden de jonge studenten zoveel mogelijk ‘ontmoedigd’ om deel te nemen aan online courses. ECU ervaart bij jonge studenten het idee ‘out of sight, out of mind’.

Binnen de HAN zijn we met de ideeen van ECU verder aan de slag gegaan in een instellingsbreed traject HAN Online Education.

maandag 14 februari 2011

Protest tegen #passendonderwijs

Vandaag heb ik een protestbrief verstuurd aan de tweede kamerleden van Onderwijs. Ik gebruik mijn blog om deze brief ook online te kunnen delen. Wil je ook iets doen tegen deze bezuinigingen, teken dan de petitie.

Geacht lid van de Tweede Kamercommissie Onderwijs,

Ik ben moeder van een dove dochter. Ik vind de enorme bezuinigingsplannen voor cluster 2 onacceptabel. Cluster 2 wordt met een bezuiniging van 22% het hardst getroffen.
Mijn kind heeft begin januari vanuit het speciaal onderwijs (cluster 2) de overstap gemaakt naar regulier onderwijs. Ze kan deze stap maken, omdat ze dankzij het speciaal onderwijs een redelijke spraak- en taalontwikkeling ontwikkeld heeft, maar bovenal zeer intelligent is. Het speciaal onderwijs kan haar geen meerwaarde meer bieden, de stap naar regulier is voor haar verdere ontwikkeling essentieel. Nog essentiëler is dat zij de komende jaren specifieke begeleiding nodig heeft als extra steun in de rug om haar taal- en spraakontwikkeling op een gemiddeld niveau te krijgen, zodat zij de basisschool op een goede manier kan doorlopen. Hiermee heeft zij een goed perspectief op maatschappelijke participatie en het vinden van werk.

Ik vraag u met klem om uw invloed als Tweede Kamerlid aan te wenden om deze bezuinigingsplannen niet door te laten gaan.

Als ik het goed begrijp, dan wil de minister het stelsel van passend onderwijs invoeren gecombineerd met een bezuiniging van 300 miljoen. Deze combinatie begrijp ik niet. U verkoopt bezuinigingen als investeringen. Een paar maatregelen op een rij:

- vergroten groepen in speciaal onderwijs. De kleine groepen in het speciaal onderwijs hebben een reden. Onze dochter is doof geboren en heeft dankzij een intensieve begeleiding vanuit een cluster 2 school, voldoende basis gekregen om de overstap naar regulier te maken. De extra aandacht aan leerlingen op een cluster 2 school is noodzaak, geen luxe. Zij krijgen naast het normale onderwijsprogramma, speciale programma's zoals logopedie en gebarentaal. Alles gericht op het ontwikkelen van spraak en taal, waarmee ze zich in de horende wereld verstaanbaar kunnen maken.

- schrappen in ambulante begeleiding. Onze dochter heeft twee cochleair implantaten en heeft hiermee een voldoende spraak- en taalontwikkeling om zich in het regulier onderwijs staande te houden. Mede doordat zij een intelligent kind is, kon het speciaal onderwijs haar niet voldoende uitdaging meer bieden. De stap naar regulier onderwijs biedt haar de mogelijkheid om zich op alle terreinen ( intellectueel en sociaal emotioneel) verder te ontwikkelen. Deze stap wordt mogelijk gemaakt door de ondersteuning van een ambulant begeleider. Hij vult het bestaande onderwijs voor onze dochter aan waar nodig en ondersteunt ook het docententeam. Het wegvallen van deze ondersteuning zou funest zijn voor de schoolloopbaan en ontwikkeling van onze dochter, simpelweg omdat er niks voor in de plaats komt. Het idee van de minister is om de docent op dit terrein bij te scholen. Mijn vraag is met welke docent hierover gesproken is. Enerzijds heeft deze docent geen ruimte om hier extra tijd aan te besteden. Anderzijds onderschat u het vak van de ambulant begeleider. In onze ervaring zijn dit geweldige mensen met veel ervaring, die geweldig en onmisbaar werk verrichten. In uw betoog geeft u aan dat docenten (en ouders) geen zicht hebben op de besteding van de gelden uit de rugzak. Ik heb zelden zo'n transparant traject meegemaakt. Wij weten tot op de euro waar deze aan besteed wordt.

Tot slot. Naast de twee genoemde maatregelen, stoor ik me denk ik nog het meest aan het gebrek aan visie in het beleid. Het feit dat kinderen die vanwege hun handicap eigenlijk zouden passen op het speciaal onderwijs, maar omdat ze zich goed ontwikkelen en ook intellectueel uitgedaagd wilen worden naar het regulier onderwijs doorstromen en hiermee op termijn ook toegang zullen hebben tot regulier middelbaar en hoger onderwijs, is toch iets wat gestimuleerd moet worden ? Deze kinderen blijven weg van regelingen als wahjong en zullen op termijn dankzij het onderwijs en ondanks hun handicap, zonder hulp van en in de samenleving kunnen functioneren. Uit de cijfers blijkt dat het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs sinds 2003 is afgenomen. Het beleid heeft dus gewerkt. Als dank vallen er straks ontslagen in het speciaal onderwijs, worden de groepen in het speciaal onderwijs groter (waarmee de kans op goede begeleiding en dus evt. doortstroom naar regulier verkleind wordt) en vervalt de ambulante begeleiding, waardoor u de kinderen die de overstap wel kunnen maken, nog een keer treft.

Wij hopen dat het nieuwe beleid en de bezuinigingen geen doorgang hebben. Ik moet er eerlijk gezegd niet aan denken om onze dochter te moeten vertellen dat ze alsnog terug in de taxi moet om dagelijks 1,5 uur heen en terug naar de cluster 2 school te moeten, waar ze zich zal gaan vervelen en haar talenten niet tot bloei zullen komen. Ook mist ze dan alsnog de aansluiting met het sociale netwerk in de buurt en haar vriendjes en vriendinnetjes.

Met groet,
Esther Weijers - van Popta, Nijmegen

maandag 18 oktober 2010

Homegrown, Silo's and Open Education

Vorige week zijn we naar de jaarlijkse Educause-conferentie in Anaheim geweest. Surf organiseert jaarlijks een Edutrip voor medewerkers van universiteiten en hogescholen in Nederland. De groep bestond dit keer uit 34 personen. Van het congres is verslag gedaan via een wiki. Deze wordt de komende week verder gevuld met verslagen van de sessies. In deze blog geef ik mijn eerste indruk van het congres weer.

Het managen van verwachtingen
Voor mij was het bezoek aan Educause niet de eerste keer. Hierdoor had ik mijn verwachtingen van te voren al bijgesteld. Het congres gaat namelijk niet over digitale didactiek, maar kent een sterk technische insteek. De truc is dus om uit het grote aanbod aan sessies, die sessies te kiezen die aansluiten bij je eigen vragen. En dat is best een uitdaging. Want je moet het doen met een mooie titel en dito beschrijving en die dekken niet altijd de lading. Over het geheel gezien was ik op een aantal missers en teleurstelling na tevreden met mijn keuzes en heb ik veel nieuwe inzichten opgedaan.

Homegrown and Silo's
Twee woorden die in veel van de sessies terugkwamen, waren: 'Homegrown' en 'Silo's'. De eerste slaat op zelfgebouwde systemen. Daar hebben ze er op de amerikaanse universiteiten blijkbaar ook een handje van. De focus van veel ontwikkelingen gaat daarom logischerwijs uit naar meer open source systemen. Een mooi voorbeeld daarvan is de ontwikkelingen rond een open source systeem om weblectures vast te leggen en te distribueren: Matterhorn; sessie Opencast. Surfnet onderzoekt deze technologie.
De Silo's slaan op alle zaken die te maken hebben met afdelingen of systemen die naast elkaar functioneren, maar niet met elkaar praten. Ik had bewust niet voor sessies gekozen met CIO's als doelgroep, want daarin is dit onderwerp heel actueel. Maar toch sloop het begrip ook bij andere sessies op de slides van de presentatoren. Het probleem speelt met name als een bedrijf organisatiebrede software wil implementeren.

Open Education
Veel sessies werden georganiseerd rond het vastleggen van weblectures en het werken met open source software. Ook de inzet van bestaande sociale media, zoals Facebook, stond op de agenda van veel sprekers. De grote vraag die we ons hierbij moeten stellen is of we kiezen voor Open Education. Stellen we net als MIT ons cursusmateriaal beschikbaar aan de wereld en zo ja, met welk doel? Een interessante Keynote vond ik het verhaal van Neil Gershenfeld van MIT. Hij is de man achter de beroemde FabLabs (tijdens het congres kwam ik er achter dat de HAN ook een FabLab heeft in Arnhem). Neil heeft een artikel geschreven met als titel: is MIT obsolote? Hij gaat hier in op de reden waarom hij ooit naar MIT is gekomen (State-of-the-art research infrastructure, large library collections, and world-class faculty) en wat er gebeurt als deze 'bronnen' niet meer schaars zijn en dat is in zijn ogen steeds meer het geval:

"That’s increasingly the case. The Internet has already enabled distance learning, providing video links to classrooms and remote access to online content (such as MIT’s OpenCourseWare). By digitizing not just the communication of ideas but also the fabrication of things, the campus can now effectively come to the student".

En betekent dit dan dat de MIT's van deze wereld overbodig worden? Gershenfeld sluit zijn artikel af met de volgende tekst:

"The MITs of the world are far from obsolete, but instead of draining brains away from where they are most needed, these institutions can now share not just their knowledge but also their tools, by providing the means to create them. Rather than advanced technological development and education being elite activities bounded by scarce space in classrooms and labs, they can become much more widely accessible and locally integrated, limited only by the most renewable of raw materials: ideas".

Het verhaal van Gershenfeld pleit voor meer Open Education. In mijn ogen is dit de grootste uitdaging die we als onderwijsinstelling in de komende jaren organisatorisch, technisch en didactisch moeten oppakken. In een interessante sessie over weblectures, betoogde de spreker Joshua Kim, dat 'lecture capture is the best tool to support open education'. Het ziet er naar uit dat we hier binnen de HAN binnenkort een start mee gaan maken.

woensdag 21 juli 2010

Verrijkte publicaties


Nu ik zelf op het punt sta om te starten met mijn promotieonderzoek, raak ik meer geinteresseerd in de relatie tussen ICT en Onderzoek. In het HBO krijgt Onderzoek een steeds belangrijkere rol, dus het wordt tijd dat we ook nadenken over wat ICT hierin zou kunnen betekenen. Ook vertegenwoordig ik sinds twee maanden de HAN als contactpersoon in het platform ICT en Onderzoek van Surf.

Het terrein van ICT en Onderzoek is voor mij nog relatief onbekend. 1 van de ontwikkelingen die me aanspreekt is die van de 'verrijkte publicatie'. Deze ontwikkeling is een typisch voorbeeld van toegevoegde waarde van ICT. Door het gebruik van ICT is het mogelijk om een verrijkte publicatie te maken.

Wat is een verrijkte publicatie?
Een verrijkte publicatie bestaat uit een publicatie, meestal in de vorm van tekst, verrijkt met extra materialen. Een publicatie kan een artikel in een tijdschrift, een proefschrift, rapport, notitie of een hoofdstuk uit een boek zijn. Voorwaarde is dat het over (wetenschappelijk) onderzoek gaat en een interpretatie of analyse bevat van primaire data of een afgeleide daarvan. Het begeleidende materiaal kan bijvoorbeeld bestaan uit onderzoeksdata, beeldmateriaal ter illustratie, metadatasets en post-publicatie data zoals commentaren en ranking gegevens. Door de veranderende post-publicatie data is het mogelijk dat een verrijkte publicatie zich blijft doorontwikkelen in de tijd. Bron: Surffoundation.
.
Naast een flyer heeft SURF een serie korte films gemaakt over Verrijkte Publicaties. In de films wordt duidelijk gemaakt wat Verrijkte Publicaties zijn en welke meerwaarde deze nieuwe techniek biedt voor onderzoekers. De films zijn gebaseerd op de ervaringen die zijn opgedaan in vijf innovatieprojecten van SURFfoundation, uitgevoerd binnen het SURFshare-programma in 2009.

De focus van deze ontwikkelingen ligt nog veel op het WO. Het zou interessant zijn om te verkennen wat de mogelijkheden voor het HBO zijn.

Een andere interessante ontwikkeling op het gebied van Onderzoek & ICT zijn de zogenaamde collaboraties. Een collaboratory is een elektronisch, webgebaseerd samenwerkingsverband waarmee onderzoekers vanuit verschillende instellingen en locaties kunnen samenwerken en elkaars kennis en faciliteiten delen. Op die manier kan (inter)nationaal onderzoek worden verrijkt en versneld.

Dit klinkt mij niet zo spannend in de oren, maar het lijkt me zeker de moeite waard om te verkennen hoe anders de wensen van onderzoekers zijn ten opzichte van die van docenten. In een volgende blogbijdrage ga ik hier verder op in.

vrijdag 19 maart 2010

duurzaam onderwijs = duurzaam leren


Binnen en buiten de HAN is duurzaamheid een actueel thema. Naast duurzaam cateren en FSC-gecertificeerd papier staat binnenkort ook duurzaam onderwijs op de agenda. In dit kader wordt vooral gekeken naar bewustwording bij studenten en het integreren van duurzaamheid als onderdeel van het curriculum. Mijn interesse gaat veel meer uit naar: hoe maken we het leren duurzaam?

Blended Learning als duurzaam onderwijsconcept
Er is een interessant engels onderzoek gedaan, dat aangehaald wordt door prof. dr. Paquita Pérez Salgado in haar oratie aan OU (2008). Hierin wordt weergegeven dat online onderwijs vele malen (8 tot 9 keer) duurzamer is dan contactonderwijs. De winst wordt met name gehaald door de winst op het minder reizen. Dit pleit voor meer afstandsonderwijs. Het zou duurzamer voor de HAN zijn om meer te doen met blended learning. Het VAL-concept e.a. zijn hier goede voorbeelden van. Het zou toch geweldig zijn als we duurzaamheid als argument voor meer blended learning kunnen gebruiken, los van de onderwijskundige voordelen.

Internationalisering is niet duurzaam
Een tweede punt dat interessant is en waar Perez ook naar verwijst is het feit dat de internationalisering van het onderwijs niet duurzaam is. Het zou duurzamer voor de HAN zijn om minder internationale studenten toe te laten, danwel studenten internationaal te laten studeren

Duurzaam leren
Een derde punt, dat mij aanspreekt is de duurzaamheid van het leren zelf. Wilfred Rubens heeft hier een bijdrage over geplaatst. In het kort komt het er op neer dat je er als instelling voor zorgt dat studenten tijdens en na hun studie permanent samen kennis creëren. Dit kan vervolgens gefaciliteerd worden met ICT (zie ook mijn blog over leren in 2025, waar uit onderzoek blijkt dat ICT helpt bij het leren van o.a. metacognitie). Daarnaast kunnen we dit punt ook doortrekken naar de HAN als organisatie. Hoe zorgen we ervoor dat we van de HAN een organisatie maken waarin medewerkers permanent samen kennis creëren. Ook hier kan ICT faciliteren. Het zou mooi zijn als de HAN op dit gebied een duurzaam beleid formuleert door te investeren in kenniscreatie van de medewerkers.

Op HANovatie is hier een column over geschreven door Olga Teunissen.

Leren in 2025


Vandaag ontving ik van een collega een email over een europese publicatie over e-learning: elearningpapers. In deze uitgave een aantal artikelen over het nieuwe leren voor een nieuwe samenleving. In het kader van onze visieontwikkeling op de DLWO sprak mij het volgende artikel aan (helaas alleen een samenvatting beschikbaar, omdat de originele versie in het Spaans is): Visie op leren in Europa in 2025 .

Uit de samenvatting: "In dit artikel worden de resultaten beschreven van de innovatieanalyse in het kader van levenslang leren ondersteund door het gebruik van ICT alsmede een aantal gebieden die met leren verband houden en speciale aandacht vragen voor wat betreft innovatie en creativiteit.

Het resultaat van deze studie is gecomprimeerd in een aantal “noodzakelijke vereisten voor verandering”, een lijst met acties die op alle vier de gebieden moeten worden genomen waar het project zich op gericht heeft, plus enkele algemene transversale vereisten. Deze noodzakelijke vereisten kunnen worden samengevat in de volgende visie op Learnovation voor leren in Europa in 2025:

“Een lerende zijn gedurende het hele leven, wordt een levensvoorwaarde. Dankzij het massale en natuurlijke gebruik in het alledaagse leven, vormen de technologieën een emanciperende kracht voor de kansen en mogelijkheden van mensen om te leren en bevorderen een spontane tendens naar metacognitie en eigenaarschap van hun leerproces”.
"

Grote vraag is nu welke rol een hoger onderwijsinstelling hierin kan spelen. Natuurlijk is het zaak dat we de studenten voorbereiden op een leven lang leren. Het gaat naar mijn idee dan niet zozeer erom dat we nadenken over welke technologie we hierbij in kunnen zetten (bv. het zorgen voor portfolio's die studenten 'mee kunnen nemen'). Dit houdt je namelijk gezien de snelle ontwikkelingen als instelling nooit bij. We kunnen veel beter inzetten op het ontwikkelen van de vaardigheid om een leven lang te leren. En dat draait o.a. om hetgeen hierboven vermeld staat: het ontwikkelen van metacognitie en verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces. En laat de ICT hier nou juist kansen en mogelijkheden bieden om dit te leren en te bevorderen. Dit lijkt me een belangrijk uitgangspunt bij het formuleren van onze visie over de DLWO van de toekomst.

vrijdag 5 maart 2010

Trends DLWO - rechts of links? - deel 1


Op verzoek van het platformbestuur ICT en Onderwijs voert de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF een onderzoek uit naar de stand van zaken rondom de Digitale Leer- en Werkomgving (DLWO), op basis van gesprekken en documenten. De aanbevelingen van de WTR vormen het uitgangspunt van een programma rond de DLWO.

Binnen de HAN hebben we op dit moment geen visie over de DLWO op papier staan. We zijn echter wel heel actief op dit terrein. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het onderzoek van SURF, verzamel ik samen met mijn directe ICTO-collega's een lijst met trends. Op termijn maken we hier een visie-document van.

Een eerste inventarisatie leverde de volgende lijst op:
cloud computing: instellingen gaan meer gebruik maken van cloud computing (data en applicaties buiten de deur van de instelling, maar ook Google Apps en Mail)
open educational resources: instellingen bieden leermaterialen via open source aan of maken er gebruik van (vb. ITunesU en OpenCourseWareConsortium)
identity management: flexibele leerwegen en integratie van applicatie vraagt om een centraal gedefinieerde identiteit. Het is belangrijk om de toegang tot digitale bronnen te stroomlijnen en tevens intellectueel eigendom te beschermen. Identity management faciliteert dit maar geldt ook als primaire tool voor beveiliging (ook relevant is federatief identity management: identity bij een onafhankelijke organisatie)
mobile devices (student vindt het vanzelfsprekend dat hij toegang heeft tot relevante informatie via zijn pda, smartphone)
collaboration tools (deze tools passen in de wereld waar studenten na hun studie gaan werken. Ook gebruiken veel jongeren de tools al in de privésfeer. Het wordt tijd dat de docent zichzelf uit de ‘spotlight’ haalt als instructeur en studenten de ruimte (durft te geven) geeft om zelfgestuurd te leren en kritisch te denken. Collaborative tools helpen om studenten bij elkaar te brengen en samen te ontdekken en kennis te creëren)
de persoonlijke leeromgeving (student/docent krijgt meer ruimte om zelf te bepalen welke tools hij/zij inzet, muv de adminstratieve tools als bv. HAN-SIS)
portaal met toegang tot persoonlijke informatie (student/docent heeft via 1 kanaal toegang tot de voor hem relevante informatie, portaal is flexibel in het toevoegen van eigen feeds en tools)
video (meer video integreren in het onderwijs, o.a. als vorm om competentieontwikkeling aan te tonen)
diagnostisch digitaal toetsen (digitale toetsen worden met name diagnostisch ingezet en zij vrij toegankelijk voor studenten op de momenten die hen uitkomen)
integratie van functionaliteit en meer samenwerking tussen applicaties
transparantie kwaliteit (ICT biedt de mogelijkheid om de kwaliteit van opleidingen transparanter te maken)
van en met elkaar leren (met ICT leren studenten van en met elkaar)
• meer professionalisering docenten (inzet van ICT kan alleen slagen als er meer wordt geïnvesteerd in de professionalisering van docenten)
• praktijk naar binnen en kennis naar buiten (profilering opleiding) ICT maakt het mogelijk om de praktijk meer de opleiding in te halen en anderzijds de kennis naar buiten te brengen
maatschappelijke oriëntatie en duurzaamheid (het is aan te bevelen om in het onderwijs tools te gebruiken die ook in de maatschappij/werkveld worden gehanteerd; ook kan het inzetten van ICT (meer blended learning) een duurzamer onderwijsmodel opleveren)
open infrastructuur (de wereld vraagt dat we ons openstellen voor de buitenwereld; het naar binnen halen van de praktijk en het naar buiten presenteren van kennis vraagt om een meer open infrastructuur)

De lijst is zeer divers. Volgende week zal ik een poging doen om de lijst tot 1 A4 te beperken. Deze lijst nemen we vervolgens mee als input voor de discussie bij Surf. Intern gebruiken we de lijst om onze visie op de digitale leer- en werkomgeving in de toekomst te formuleren.

In deze bijdrage heb ik o.a. gebruik gemaakt van de notitie The Future of Higher Education.

woensdag 9 december 2009

Social Software en onderwijs - deel 4

Dit is deel 2 van een tekst over social software en onderwijs, klik hier voor deel 1.

Wat betekent dat voor onderwijsinstellingen zoals de HAN?
Het HBO zal niet verdwijnen maar zal niet meer de rol van kennisverstrekker hebben. De docent wordt coach en met de student leren om kennis op waarde te schatten.

Wat verwacht een student eigenlijk van onderwijs op een HBO? Moet je ‘social software rijk’ onderwijs aanbieden? Of zitten ze daar juist niet op te wachten?

Wij kijken naar studenten vanuit ons oude perspectief. We vinden dat studenten alles moeten doen zoals wij het vroeger deden. Dus tegelijkertijd studeren, muziek lezen en bellen is slecht. Maar als ze daardoor gewoon goede cijfers halen, is dat dan ook zo. Maar is het niveau van de scholieren niet afgenomen? Maar wat is niveau? Is het niet zo dat scholieren andere dingen kunnen dan vroeger en daardoor misschien minder kunnen rekenen. Waarom vinden we het zo belangrijk dat jongeren goed kunnen spellen, is dit niet een soort generatietruttigheid? Maar we zitten wel in een soort tussenfase waarin oude vaardigheden als spellen en rekenen nog heel erg belangrijk worden gevonden. Dus je kan ook niet zeggen dat ze het niet hoeven te kunnen.

Daarnaast is het misschien wel zo dat jongeren ‘verpest’ zijn door het onderwijs dat ze krijgen voor ze op het HBO komen. Als je een student vraagt wij hij/zij verwacht van onderwijs dan willen ze gewoon een docent voor de klas. Maar is dat omdat ze dat echt willen of is dat omdat ze al 12 jaar niets anders gewend zijn. Waarom wordt er in het basisonderwijs niet veel meer gamebased onderwijs gegeven? Natuurlijk is het zo dat een student ook gebaat is bij een inspirerend hoorcollege.

De vraag blijft hoe je om moet gaan met ICT in het onderwijs. En hoe krijg je nou die docenten zover om daar meer mee te doen?

Marijke Kral liet zien in de Frank Stotelerlezing dat in 30 jaar ICT in onderwijs we eigenlijk nog aan het begin staan. Er is nog weinig veranderd in het onderwijs. Dit ligt voor een groot deel aan organisatie en cultuur. Het is heel moeilijk om de cultuur van een organisatie te veranderen. Wat vaak goed werkt is werken vanuit de vraag van de studenten. Maar deze zijn gedeeltelijk afgestompt door het onderwijs dat ze gewend zijn te krijgen en zullen dus niets nieuws vragen. Bovendien hebben ze niet de behoefte om alles wat ze thuis gebruiken de les in te halen. Daarnaast is het lastig dat docenten vaak een behoefte hebben om de controle te behouden. Het is de discussie van dingen doen uit angst of uit liefde. Het is ook vaak niet zo dat docenten niet willen maar dat ze niet durven, niet weten hoe of dat de cultuur er niet naar is.

De docent moet juist het goede voorbeeld geven zodat studenten zijn gedrag kunnen kopieren. Geldt dat ook niet voor ons als ICTO team? Hoe zit het eigenlijk met de voorzieningen die we aanbieden? Bieden deze wel wat nodig is. Ze zijn groot en complex dus veranderen moeilijk. Moeten we ook niet social software aanbieden? Wie beslist er wat er gebruikt gaat worden, de HAN, de docent, de student?
Nu is het lastig om aan de slag te gaan met social software wegens regelgeving, bewaarplicht, privacy etc. Dat betekent niet dat het niet kan, maar dat het voor sommige toepassingen niet kan; formeel systeem vs informeel.
......wordt vervolgd.

Social Software en onderwijs - deel 3

Op woensdag 25 november hebben we met het ICTO-team een rondetafel gesprek gevoerd met @hansmestrum over de meerwaarde van Social Software voor het onderwijs. Lees hier een aantal tweets van deelnemers aan het gesprek: interessante sessie, mooie inhoudelijke discussie, "zeker inspirerend. Een vervolg is wat mij betreft wenselijk", "de sessie met Hans was erg interessant. Een vervolg zou zeker leuk zijn denk ik [...] doorpraten over web 2.0 voor de docent en hoe wij als ICTO team docenten hierin kunnen ondersteunen". Kortom, de sessie smaakt naar meer en we gaan hier in 2010 een vervolg aan geven.

Om te beginnen publiceer ik hier een verkorte weergave van het gesprek, met dank aan @esthervdlinde voor het maken van het verslag. Het verslag bevat nog veel onbeantwoorde vragen, maar dat is in deze fase alleen maar waardevol. Gezien de lengte van tekst heb ik een deel van de tekst in een tweede blogbijdrage verwerkt.
Welk effect heeft social software op de nieuwe professional?

Hans introduceert de discussie over deze vraag door aan te geven dat niet social software de mens stuurt, maar de mensen veranderen en daarom ontstaat er social software, er is vraag naar. Op zijn website heeft Hans staat een mindmap van de nieuwe professional, waarin volgende aspecten naar voren komen:

  • Wordt arbeidsgever ipv werknemer

  • Heeft veel ruimte nodig

  • Is zelfbewust, wil zichzelf zijn, heeft een grote eigenwaarde, kent zijn eigen talenten

  • Maar kent ook zijn verantwoordelijkheden

  • Wil niet gebonden zijn, ziet het niet als een recht om ergens de rest van leven te kunnen werken

  • Is voor een gelijkwaardige relatie tussen werknemers en werkgevers

  • Bouwt een netwerk op

  • Zal sneller als zelfstandig aan de slag gaan en klussen doen bij verschillende bedrijven

  • Wordt niet bepaald door een leeftijd maar door een bepaalde mentaliteit

Onze context is het onderwijs, dus vragen we ons het volgende af:
Hoe leer je een nieuwe professional te zijn?
Voor ons is het een ontwikkelingstraject maar voor jongeren is het veel meer vanzelfsprekend om op deze manier te werken. Maar uit onderzoek blijkt dat het puberbrein niet veel anders is, ze hebben nog dezelfde basisbehoeftes als vroeger. Is er wel echt een verschil? De basisbehoeftes zijn hetzelfde maar uit onderzoek blijkt dat het brein toch echt anders is. Jongeren kunnen beter informatie filteren dan wij. Het zelfvertrouwen is nu ook veel groter bij jongeren. Je hebt in deze tijd meer de kans om jezelf neer te zetten als individu, je kan al jong laten zien wat je waard bent.
De omgeving is tegenwoordig, door alle technologische mogelijkheden geschikt om ander gedrag te tonen. Je kan meer je eigen keuzes maken, je bent dus minder voorspelbaar en minder makkelijk in een hokje te stoppen. Dat wordt ook geaccepteerd. Vroeger bepaalde vaak waar je vandaan kwam en het milieu wat je leuk vond en deed, nu kan je je aansluiten bij de zwerm die het beste bij je past (en deze ook weer verlaten en je ergens anders bij aansluiten.).
We zijn individualistischer maar het gaat wel om ik in relatie met de anderen, niet om isolatie.
We gaan van een stoplichtentijdperk naar een rotondetijdperk. In het rotondetijdperk is alles minder strict georganiseerd en toch loopt alles vlotjes. Maar we moeten ons realiseren dat we nu in een overgangsfase zitten.

In alle beroepsvelden krijg je te maken met een nieuw soort clienten. Mensen zijn mondiger en beter geïnformeerd. Er wordt van je verwacht dat je samenwerkt met de client, niet dat je bepaald wat er gaat gebeuren. Dit geldt dus ook voor het onderwijs.

Dit betekent dus ook dat de studenten andere competenties moeten leren. De belangrijkste is mediawijsheid. Jouw online presence bepaalt jouw beeld. Als je foto’s van jezelf dronken op een feestje op hyves plaatst dan kan dat tegen je werken als je gaat solliciteren.

Dit nieuwe tijdperk biedt ook meer mogelijkheden voor ontwikkelingslanden en mensen die altijd minder mogelijkheden hadden. Door open source producten kunnen mensen/landen die geen dure producten kunnen betalen toegang krijgen tot technologie. Maar hiervoor moeten mensen wel toegang tot internet hebben. Mensen en landen met beperkte toegang tot internet zullen achterop raken. Ook is steeds meer onderwijsmateriaal gratis online bechikbaar. Iedereen kan het lesmateriaal van MIT inzien. Kennis moet stromen, dus waarom zou je het afschermen, je moet juist delen, dan kan je ook makkelijker kennis gaan stapelen en zal de totale hoeveelheid kennis alleen maar toenemen.
Dit is deel 1 van de tekst, lees hier deel 2.

maandag 23 november 2009

Social software en onderwijs - deel 2


In mijn vorige blog meldde ik al dat we woensdag 23 november a.s. een gesprek met Hans Mestrum hebben georganiseerd om van gedachten te wisselen over Social Software. Vanmiddag hebben we met de adviseurs de ingezonden vragen bekeken en op basis van de lijst (en de discussie) besloten om het gesprek te richten op 'social software en onderwijs'. De vraag wat het voor ons team zou kunnen betekenen, komt hiermee te vervallen.

De vragen die we woensdag aan Hans stellen zijn:
1. welk effect heeft social software op de toekomstige Hbo-professional?
2. aan welke voorwaarden moet de inzet van social software in het onderwijs voldoen willen studenten (en docenten) het omarmen?
3. wat is didactisch gezien de meest waardevolle social software?
4. wanneer moet je social software gebruiken en wanneer standaard applicaties, en vooral hoe gebruik je social software in combinatie met elkaar en met f2f?
5. hoe gaan we om met veiligheid en social software (juridische plichten, bewaarbeleid, privacy): hoe hiermee om te gaan? Wie is er verantwoordelijk als dingen via Hyves 'op straat komen te liggen' of per ongeluk 'verdwijnen' (zoals eerder met gmail gebeurde)?

Van de bijeenkomst maken we een verslag, dat o.a. via deze blog beschikbaar zal komen. De output van het gesprek gebruiken we om te bepalen wat wij als team in termen van dienstverlening willen aanbieden op dit terrein.

vrijdag 20 november 2009

Social software en onderwijs


Volgende week hebben we met ons ICTO-team een bijeenkomst met collega Hans Mestrum.
In een ronde tafel gesprek van 1 uur gaan we samen met Hans de volgende twee onderwerpen verkennen:
- Hoe kunnen we social software inzetten binnen ons eigen ICTO-team?
- Hoe kunnen we social software inzetten in het onderwijs?

Om het gesprek een beetje op gang te brengen hebben we een rondje gemaakt onder de teamleden. Uit dit rondje is op dit moment de volgende input gekomen:

Vraag 1: Is het verstandig om 'wiki' in te zetten voor het schrijven van gebruikershandleidingen van applicaties ?
Vraag 2: Welke mogelijkheden bieden social software/web 2.0 toepassingen m.b.t. de inzet van video in het onderwijs?
Vraag 3: Is integratie met (of opnames plaatsen op) de HAN-onderwijsapplicaties (HAN-scholar, DPF, QMP) mogelijk?
Vraag 4: Aan welke criteria moeten web 2.0-toepassingen als leermiddel gezien voldoen om te worden geaccepteerd/omarmd door studenten?
Vraag 5: Welke toepassing is het sterkst voor welk gebruik (maw waar zit voor elke toepassing de meeste didactische meerwaarde)? (wiki, weblog, chat, twitter), delicious)
Vraag 6: Wanneer social software gebruiken en wanneer standaard applicaties, en vooral hoe ze in combinatie met elkaar en met f2f te gebruiken?
Vraag 7: Veiligheid en social software (juridische plichten, bewaarbeleid, privacy): hoe hiermee om te gaan? Wie is er verantwoordelijk als dingen via Hyves 'op straat komen te liggen' of per ongeluk 'verdwijnen' (zoals eerder met gmail gebeurde)?
Vraag 8: Welke onderzoeken zijn er naar gebruik van social software door jongeren (en nog specifieker: gebruik in educatieve settings) en wat zijn de resultaten?


Daarnaast is er wat achtergrondmateriaal beschikbaar op het terrein van social software en onderwijs, namelijk:
Wilfred Rubens: presentatie social softwar en leren
Web 2.0 als leermiddel

Ik zal via deze weblog over onze vorderingen rapporteren (status: 23/11 10:41 vier vragen toegevoegd)

donderdag 12 november 2009

Samen slim leren? - de eerste dag

Het thema van de (Surf) onderwijsdagen was dit jaar: Samen Slim Leren. Met een record van meer dan 900 bezoekers in twee dagen, is Surf in samenwerking met er in samenwerking met Kennisnet wederom in geslaagd een mooi programma te presenteren. Op slideshare zijn alle presentaties terug te vinden. In deze blog sta ik stil bij mijn persoonlijke programma.

Net op tijd arriveerde ik in de zaal voor de openingsspeech van Liebrand in samenwerking met minister Plasterk als avatar. Een leuk vondst die avatar. De opening werd gevolgd door de keynote van Richard Baraniuk uit Houston over Open Education. Hij pleit o.a. voor persoonlijke boeken, aangezien ieder kind verschillend is. Een ander interessant punt vond ik zijn opmerking over het 'peer-review-systeem'. In zijn ogen staat dit op instorten en zijn toepassingen als delicious hiervoor een oplossing.

Voor de eerste sessieronde koos ik voor de sessie 'Kijk mam - zonder wachtwoord!' door Joost van Dijk van SURFnet. Hij hield een presentatie over Open ID en de federatie. Hij vertelde o.a. dat een groot nadeel van het werken met Open ID is dat je daar kunt liegen bij het opgeven van je ID. Als je gebruik maakt van een federatie (bv. die van Surf) is dit niet het geval. Dan geeft de hogeschool aan dat je daadwerkelijk de betreffende student bent.

Na een snelle zaalwisseling sloot ik me aan in de rij voor zaal 718, waar twee medewerkers van de TU Eindhoven een presentatie gaven over de DLWO van de TUe.
Deze DLWO - Digitale Leer- WerkOmgeving stelt de gebruiker centraal. De presentatoren Joost Timmermans en Thieu Mennen vertelden open en eerlijk over hun plannen en geleerde lessen rond de realisatie van de nieuwe DLWO. In de afgelopen weken was ik hun plaatjes al op het web tegengekomen. Aangezien we binnen de HAN druk aan het denken zijn over een studentenportal, sprak het verhaal me erg aan. Zaken die mij in het verhaal erg aanspraken waren:
  • Processen houden zich niet aan systeemgrenzen
  • Fase dlwo 1 is single logon
  • Helder Plaatje applicatie architectuur tue dlwo met sharepoint als GUI, biztalk etc
  • Overgang naar dlwo betekent keuzes uit verleden ter discussie te stellen, eerst GUI dan technisch nabouwen
  • Briljante uitwerking van de dlwo bij TUe doordat ze uitgaan van processen ipv applicaties
  • Doe geen nieuwe dingen
  • Eerst beheerorganisatie op orde dan pas beginnen met ontwikkelen dlwo
Na de lunch stond de verdiepingssessie over Virtual Action Learning van Jos Baeten en Robert-Jan Simons en Karin Valke van Citowoz op mijn programma. De zaal bleek uitverkocht en ondanks dat ik het verhaal natuurlijk al ken, was het wederom een waardevolle sessie (met veel bekenden :-)). De workshop had als titel: Meer van elkaar dan van de docent leren en het merendeel van de aanwezigen moest na de reflectie concluderen dat dit het geval was geweest. Zie ook de bijdrage van Wilfred Rubens over deze workshop, die zelf als voorzitter optrad.

Na de verdiepingssessie werden alle deelnemers verzocht snel naar de grote zaal te gaan voor de afsluitende keynote van de eerste dag door Marc Lammers, coach van het nederlands dameshockeyteam. Hij hield een aansprekende presentatie met mooie beelden en uitspraken. Met name zijn focus op de dingen waar je goed in bent (en daar beter in worden) sprak me aan.

Tijdens de afsluitende borrel nog wat bijgepraat en gepoked. De eerste dag bestond wat mij betreft uit een veelzijdig en interessant programma. Door mijn keuze voor de verdiepingssessie heb ik twee sessies gemist, die ik anders wel bij had willen wonen, namelijk:
  • Augmented Reality: Toegevoegde waarde voor onderwijs? door Arno Coenders (Kennisnet)
  • DLWO functionaliteiten door Gerdien Jansen (Vrije Universiteit Amsterdam), Ronald Ham (SURFfoundation) en Nico Juist (Hogeschool INHolland)

maandag 9 november 2009

Onderzoek naar inzet Sharepoint in Hoger Onderwijs


Vandaag las ik een artikel waarin onderzoek gedaan is naar de inzet van Sharepoint in Hoger Onderwijs instellingen in de UK. Het is een zogenaamde Literature Review. Bij gebrek aan veel peer-reviewed materiaal (omdat Sharepoint nog zo nieuw is) heeft men vooral gebruik gemaakt van materiaal dat op websites van de onderwijsinstellingen is gepubliceerd en via Google op het web toegankelijk is. Het artikel bevat ook verwijzingen naar voorbeelden uit de US en Nederland (waaronder TU Twente en Universiteit Utrecht).
Het artikel geeft een duidelijk en herkenbaar overzicht van de diverse toepassingsmogelijkheden van Sharepoint. De volgende toepassingen worden onderscheiden:
  • document management en team samenwerking

  • ondersteuning lesgeven en leren

  • ondersteuning onderzoeksteams

  • studentenadministratie

  • sociale software

  • workflow en procesverbetering

  • business intelligence

  • instituutsportal, intranet, externe website
Binnen de HAN gebruiken we Sharepoint op verschillende manieren. Het artikel geeft per toepassing voorbeelden weer uit de UK, maar ook uit Nederland. Het artikel eindigt met de conclusie dat er verder onderzoek gedaan moet worden naar de implementatie van Sharepoint in het hoger onderwijs. Met name door de snelheid waarmee Sharepoint een plek heeft gekregen in de HO-instellingen, maakt dat er tot op heden weinig is geschreven over de voors en tegens.
Gezien de snelheid waarmee Microsoft de nieuwe versies op elkaar laat volgen, ben ik bang dat we ook de komende jaren te weinig tijd zullen hebben voor het schrijven van (peerreviewed) artikelen op dit terrein. Voor we het weten zijn we te druk met het migreren naar nieuwe versies en vergeten we stil te staan bij de ervaringen in de praktijk. We moeten niet vergeten om te onderzoeken in hoeverre onze oorspronkelijke doelen met de implementatie van Sharepoint zijn gerealiseerd.

vrijdag 6 november 2009

HANovatie themadag 2009: tijd voor toetsing

Voordat de HAN mijn werkgever werd, was ik o.a. werkzaam als consultant bij het adviesbureau Citowoz. Door een niet geheel toevallige samenloop van omstandigheden kwam ik als externe consultant bij de HAN terecht om mee te denken over het beleid op het gebied van E-Learning. In die tijd (rond 2002) heb ik het idee geintroduceerd om binnen de HAN een website te starten waarop we kennis konden delen rond het thema Onderwijs en ICT. De naam van de site 'HANovatie' was daarmee geboren. Inmiddels zijn we ruim zes jaar verder en vond vandaag de zesde HANovatie themadag plaats. Ook deze keer georganiseerd door het ICT en Onderwijs team van de afdeling SCO (Service Centrum Onderwijs) van de HAN.

Het thema vandaag was 'tijd voor toetsing' en dat leverde een reeks aan interessante workshops op. De dag had Gert-Jan Sinke als keynote-speaker, gevolgd door een debat met een panel en publiek. Ik mocht vandaag als debatleider optreden. Het debat leverde veel activiteit op en was een mooie opwarmer voor de workshops die daarna volgden. In de eerste workshopronde mochten Niels Maes (collega) en ikzelf weer een keer ons verhaal over Virtual Action Learning vertellen. Deze keer vanuit het perspectief van beoordelen. Na een tweede workshopronde was het tijd voor de uitreiking van de jaarlijkse HAN-Scholar-prijs. Deze prijs wordt sinds drie jaar uitgereikt aan de beste site in HAN-Scholar. Van de uitreiking heb ik een opname gemaakt:


De prijs werd uitgereikt door de voorzitter van de jury, René Tönissen en ging deze keer naar de site van Opleidingskunde.

Er is veel beeldmateriaal beschikbaar van de HANovatiethemadag. Een aantal verwijzingen:

Ik vind persoonlijk de hanovatie themadag elk jaar weer een hoogtepunt. De organisatie verloopt soepel, de sfeer is prettig, informeel en open. De deelnemers zijn stuk voor stuk bereid om van elkaar te leren. De combinatie van interne en externe deelnemers en sprekers geeft de dag een extra dimensie en gelukkig waren dit jaar ook veel docenten aanwezig. Al met al een geslaagd concept, waar ik met veel plezier elk jaar mijn bijdrage aan lever.

donderdag 15 oktober 2009

De nieuwe digitale kloof: mediageletterdheid

Gisteravond heb ik de 10e Frank Stötelerlezing bij Pabo Arnhem (HAN) bijgewoond. Frank opende zelf de bijeenkomst met een aansprekende lezing waarin hij terugblikte op de inhoud van de eerdere lezingen en op basis van door hem opgedane kennis en ervaringen in het onderwijs aangaf wat een goede leerkracht en goed onderwijs betekenen in de 21ste eeuw. Deze keynote werd gevolgd door een keuzeprogramma, waaruit ik het onderwerp Onderwijs en ICT koos.
Marijke Kral stond in haar workshop stil bij het verleden, heden en toekomst van Onderwijs en ICT in het primair onderwijs (met uitstapjes naar middelbaar en hoger). In haar presentatie maakte ze een onderverdeling in drie perioden van vijf jaar, 1995-2000 (focus op de spullen (hard- en software), 2000-2005 (focus op de docent), 2005-2009 (focus op de leerling). De tekst van haar presentatie verschijnt binnenkort samen met de andere bijdragen in een boekje dat ter ere van de 10e en laatste lezing uitgegeven wordt.
Aangezien ikzelf ook sinds 15 jaar betrokken ben bij Onderwijs en ICT, waren de onderdelen van de terugblik bekend, maar Marijke presenteerde het verhaal op een toegankelijke manier. Mijn aandacht werd in het bijzonder getrokken door de volgende slide: http://twitgoo.com/43mae. Marijke vertelde over de nieuwe digitale kloof: multimediale geletterdheid. Ik ben bekend met het pleidooi voor 'informatie-geletterdheid' of de noodzaak voor het aanleren van informatievaardigheden. Maar de insteek van Marijke sprak me meer aan. Er stonden nog meer interessante begrippen op dezelfde slide: conversationele kennis, weten = verbonden zijn en een verwijzing naar George Siemens, Knowing Knowledge.
De genoemde begrippen zijn niet nieuw. Ik heb echter het idee, dat ze steeds actueler worden. De noodzaak van het vaardig om kunnen gaan met de diverse (digitale) media dringt steeds meer door in ons leven en dus ook in onze scholen. De kern van het verhaal draait om het idee dat het steeds belangrijker wordt dat we onze kinderen leren, dat je anderen nodig hebt om te leren. Leren is meer een sociaal proces, waarbij je alleen kunt leren als je onderdeel uitmaakt van een netwerk. Iedere deelnemer bezit stukjes van de puzzel en moet dus in staat zijn om deze te delen. Willen we dat onze leerlingen zich deze vaardigheden eigenmaken, dan moet je als docent een beeld hebben van het medialandschap waar je leerlingen/studenten onderdeel van uitmaken en bij voorkeur hier zelf ook in participeren (en bijdragen).
Marijke sloot haar presentatie af met de vraag hoe we dit in het onderwijs gaan realiseren. Op deze vraag is helaas geen eenvoudig antwoord te geven. We hebben in het verleden eerst de computers het klaslokaal in gebracht en daarna de docenten gestimuleerd met grassroots-projecten, maar het gebruik van ICT in het onderwijs blijft nog altijd zeer beperkt. Ik vestig mijn hoop op de leerlingen zelf, maar ook op de toekomstige docenten. Maar dat betekent dat ik mijn hoop dus vestig op onze huidige studenten van de educatieve faculteit. Zou het dan nog 15 jaar duren?

woensdag 7 oktober 2009

What are you doing?


Sinds de aanschaf van mijn HTC Hero (Android) sta ik meer open voor ‘Open Source’ ontwikkelingen. Ik kom er namelijk achter dat deze ontwikkelingen goed passen bij mijn ideeën over onderwijs nu en in de toekomst. Het valt me op dat de nieuwe manieren van communiceren, die web 2.0 en social media ons bieden door veel mensen als vanzelfsprekend een belangrijke rol in hun leven spelen. Met de snelheid waarmee de mobiele telefoon is geïntegreerd, zie ik om me heen ook de omarming van de mogelijkheden van sociale netwerken zoals Hyves en Facebook. Het is niet meer voorbehouden aan mensen die zich interesseren voor nieuwe ICT-ontwikkelingen alleen. De meeste gebruikers zien de sociale netwerken als een laagdrempelige (maar ook verrijkende) manier om contacten te onderhouden, zoals je voorheen de telefoon pakte.

Natuurlijk betoog ik hier niks nieuws. En we (adviseurs) roepen ook al jaren dat we hier in het onderwijs iets mee moeten. We zien nog steeds dat de didactische vernieuwingen in de praktijk achterblijven bij de mogelijkheden. Ik kom er echter steeds meer achter dat de nieuwe ontwikkelingen zoals Twitter passen binnen een ander paradigma van leren. Dit nieuwe paradigma, dat ik voor het gemak even ‘Share2Dialogue’ noem, is er op gericht dat leren een sociaal proces is, waarbij de ene persoon leert van een ander. Dit proces start bij het moment waarop een persoon besluit om te delen wat hem bezig houdt/waar hij mee bezig is. Het proces krijgt een vervolg doordat een andere persoon kennis neemt van ‘het gedeelde’. Door de ander de gelegenheid te geven om hier vervolgens eigen inzichten aan toe te voegen ontstaat een dialoog, die beide partijen nieuwe inzichten oplevert.

Het is aan het onderwijs om te bepalen hoe open we dit proces willen organiseren en welke elementen uit het proces meegenomen kunnen worden in de beoordeling. De gemiddelde docent denkt nog in termen van afschermen, controle en spieken. Willen we dat onze studenten ook in de toekomst gemotiveerd zijn om te leren, dan zullen we af moeten stappen van het paradigma van de controle. Als we het lef hebben om studenten meer los te laten, krijgen we hier actief lerenden voor terug. Hierbij past een meer open ingerichte leeromgeving, die een lerende aanzet om met anderen te delen ‘what are you doing’? en vervolgens de dialoog aan te gaan. Aan de studenten zal het niet liggen :-)

maandag 7 september 2009

Welk onderwijs werkt?

Als mensen aan mij vragen waarom ik Virtual Action Learning (VAL) een aansprekend onderwijsconcept vind, dan is mijn standaardantwoord: omdat het werkt. Maar waar baseer ik deze wijsheid op? o.a. de discussie rond het korten van de subsidies van een aantal basisscholen door staatssecretaris Dijksma en de recente blogs van Wilfred Rubens over de meerwaarde van online leren boven face to face leren, maakt een 'oude' vraag weer actueel: welk onderwijs werkt. Het antwoord op deze vraag is wat mij betreft ook relevant gezien mijn serieuze plannen om onderzoek te doen naar de meerwaarde van onderwijs.

De blog van Rubens verwijst naar een kritische blog van Nicolas Carr waarin hij reageert op diverse bloggers die met de resultaten van het amerikaanse onderzoek (waarin beweerd wordt dat online leren beter werkt dan leren in het klaslokaal) in de hand pleiten voor het sluiten van de scholen. Rubens sluit zich bij de opvattingen van Carr aan. En ik moet bekennen dat ik het er ook mee eens ben.

Ik werk sinds 1994 op het gebied van Onderwijs en ICT en sindsdien voeren we een strijd om ICT een serieuze plek in het onderwijs te geven. Natuurlijk hebben we in deze strijd behoefte aan bewijzen dat online leren meerwaarde heeft. De genoemde onderzoeksresultaten hebben vanzelfsprekend hun bijdrage aan de beleidsvorming. Maar we moeten wel kritisch blijven naar de resultaten en de wijze waarop deze verkregen zijn, voordat we met de conclusies aan de haal gaan.

Terecht verwijst Rubens in zijn eerdere blog naar de vragen die je kunt stellen bij het doen van onderzoek naar de 'effectiviteit van onderwijs' met evidence based research:
"De complexiteit en m.i. onuitvoerbaarheid van evidence based onderzoek naar onderwijs wordt geïllustreerd door Paul Kirschner in het hoofdstuk "Evidence based onderwijs: waar gaat het nou over?" in http://www.sardes.nl/simple/download.php?fileId=764. Ik ben het vaak niet met Kirschner eens, maar op dit (en ook wel anderen) wel. Met name de methodologische problemen, die Kirschner beschrijft maken dat ik zeer sceptisch sta ten opzichte van pleidooien voor evidence-based onderzoek"

Ik heb de bijdrage van Kirschner gelezen en sluit me aan bij zijn kritische opmerkingen. Het onderwijs is gelukkig op dit punt niet vergelijkbaar met de gezondheidzorg en onderwijs zonder context bestaat volgens mij niet. Is dit dan een reden om geen onderzoek meer te doen naar de effectiviteit van onderwijs? Naar mijn mening is dit niet het geval. Het is in het belang van de verbetering van het onderwijs, dat er meer wetenschappelijke bewijzen komen of bepaalde onderwijsmodellen werken. Hoe, wanneer en door wie? Daar heb ik op dit moment nog geen antwoord op, maar ik blijf de ontwikkelingen (kritisch) volgen. En op termijn zal ook ik proberen een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag: welk onderwijs werkt?